Olie voor het opscheppen

Door de recente, hoge olieprijs is Canadees teerzand een betaalbaar alternatief voort OPEC-olie. Maar al ligt de olie er voor het opscheppen, goedkoop een kuil graven blijkt niet eenvoudig.

© 2004 Henk Leenaers

Langs de oever van de Athabasca River in de Canadese provincie Alberta ruikt het op warme zomerdagen naar asfalt. De met teer verzadigde zandgrond riekt dan als een dampend, vers gewalst wegdek. Het teerzand dat hier aan het oppervlak ligt strekt zich vijftig tot honderd meter onder de grond uit over een gebied van 38.000 vierkante kilometer, een zwart tapijt zo groot als Nederland. Geologen schatten dat hier meer aardolie ligt dan in alle andere olievelden ter wereld bij elkaar.

Behalve indianen die hun houten boten er waterdicht mee maakten, toonde lange tijd niemand interesse in het Canadese zand/olie-mengsel. Veel te duur om olie uit te winnen, dacht de petroleumindustrie over deze kleverige pap, die aanvoelt als kauwgum met koffieprut. Syncrude, een plaatselijke olieproducent, probeerde het wel door met draglines zo groot als 15 jumbojets plakken teer van de grond te schrapen. In 1985 moest het bedrijf dat zwaar bekopen, vertelde directeur Jim Carter onlangs aan Wired Magazine: 5 tot 10 dollar legde het bedrijf toe op de toenmalige olieprijs van 10 dollar per vat. Maar nu het onrustig is in het Midden-Oosten en de olieprijs zich tijdelijk boven de veertig dollar lijkt te nestelen, is teerzand mogelijk een betaalbaar alternatief voor OPEC-olie.

Geologen zijn het er nog niet helemaal over eens hoe oliehoudende de teer in de Canadese bodem verzeild is geraakt, maar waarschijnlijk begon het met de lekkage uit een diep oliereservoir. Kilometers diep is miljoenen jaren geleden olie gevormd uit organische stof in een poreuze leisteenlaag. Maar dit Canadese reservoir of 'sedimentair bekken' in is aan de bovenkant niet, zoals gebruikelijk bij veel andere olie- en gasvelden, afgesloten met een deksel van ondoorlatend gesteente. In plaats van zich op te hopen onder zo'n dak van steen, werd de vloeibare olie door de enorme ondergrondse druk naar boven geperst. Hier aangekomen vulde het de poriŽn van ondiepe zandlagen, waar bacteriŽn en grondwater er bij konden en de olie in teer veranderden.

Steeds minder gelukkig in het aanboren van diepe olievelden, investeren oliebedrijven nu hoopvol in deze reusachtige, onconventionele oliebron. Het Athabasca Oil Sands Project, een joint venture van Shell Canada, Chevron Canada en Western Oil Sands, opende in 2003 een nieuwe mijn en verwerkingsinstallatie van rond de vier miljard dollar. In het tweede kwartaal van dit jaar produceerde Shell daar 141.900 vaten per dag, aldus Henk Bonder van Shell International, en die productie wil het de komende jaren verder uitbreiden tot een half miljoen vaten per dag. Maar met de olieprijs heeft dat weinig te maken, zegt Bonder: 'Al is die prijs nu al een jaar veel hoger, uiteindelijk moet iedere investering ook bij 10 ŗ 12 dollar per vat rendabel zijn. In onze tak van sport gaat het om de lange termijn. De beslissing om in Canada te investeren namen we al vijf jaar geleden.'

Het winnen van olie uit teerzand is geen gemakkelijke klus. Eerst moet namelijk de tientallen meters dikke deklaag opzij worden gezet, waarna het teerzand wordt afgegraven, met warm water gemengd en in bezinkbassins gesplitst in water, zand en bitumen. De olieachtige smurrie die na al dit graaf- en spoelwerk overblijft transporteren de Canadezen ten slotte via een 500 kilometer lange pijpleiding naar de raffinaderij. Ondanks kostenbesparende schaalvergrotingen kost deze omslachtige olieproductie al gauw tien dollar per vat, het drievoud van wat het een OPEC-land kost. En voor dat geld moet een Canadese olieboer de protesterende omwonenden er nog van overtuigen dat zijn oliekrater geen nadelige effecten heeft op de natuur.

Nu al zijn de productiekosten sinds 1985 gehalveerd tot tien dollar per vat en technologen zijn er van overtuigd dat er nůg een paar dollar van die prijs af kan. Bijvoorbeeld door de schaal van de operatie nog iets verder te vergroten, of nog meer ICT in te zetten dan een Global Positioning System (GPS) in graafmachines en lekopsporende sensoren in pijpleidingen en rupsbanden. Maar voor een ťchte prijsdoorbraak is nieuwe technologie nodig die graven overbodig maakt. Zo experimenteert Syncrude met steam assisted gravity drainage. Daarbij wordt stoom door een verticale pijp in de zandlaag geperst, waar het de olie losweekt van het zand. Zodra de lichte olie boven komt drijven wordt die via een ander pijp weer opgepompt. Een pilot project met deze technologie produceert al 116.000 vaten per dag, maar bracht ook een groot nadeel aan het licht: stoom vreet energie. Daarom experimenteren de teertechnologen nu met goedkopere alternatieven voor stoom, zoals koolzuurgas en lucht. Anderen opperen zelfs om een kerncentrale te bouwen die de voor stoom benodigde energie gaat produceren.

Volgens de overheid van Alberta zal de olieproductie uit teerzand binnen 10 jaar doorgroeien tot 2 miljoen vaten per dag, waarmee Canada na Saoedi-ArabiŽ, de Verenigde Staten en Rusland de vierde olieproducent wordt. Maar van die vier heeft Canada verreweg de langste adem, aldus een recente publicatie van Alberta's energieministerie: met 174 miljard vaten heeft het bijna een vijfde van de bewezen wereldolievoorraad in handen. En daarvan heeft het pas 2% geproduceerd.


Gepubliceerd in Intermediair